Inicio • Fundación • Colabora • Actividades • Colección • Jan van Eden-biografia • Contacto


 

Jan van Eden

Biography

Chronological                                              

1942

42_foto_geboorte.jpg (7338 bytes)16th march 1942

On the 16th born in Voorburg, The Netherlands, on 16th March. The first son from the mariage of the schoolteacher Guurtje Bolding (Wormerveer, 1910-) and the civil servant Cornelis van Eden (Krommenie 1909-). Op 16 Maart gaven De Heer en Mevrouw VAN EDEN-BOLDING met blijdschap kennis van de geboorte van hun eersteling JAN GERRIT, tijdelijk adres: St. Antoniushove, Oosteinde Voorburg. De halve wereld was er zeer van onder de indruk en de ouders werden door velen gefeliciteerd. Mijn grootvader Willem Bolding, woonachtig te Heiloo, werd telefonisch op de hoogte gesteld. Hij zond per ommegaande zijn vrouw Antje Goedhart met felicitaties en een brief. Hij zegt ondermeer "Wanneer jullie het volste vertrouwen in Gods handelingen steld, zal je zeker de kracht gegeven worden om voor de jongstgeborene te waken en te werken; een volle stamhouder van de familie van Eden – Jan Gerrit. Natuurlijk komt er in deze dagen veel financiëele kosten, we hadden gedacht hierin te mogen deelen en sluiten een bedrag aan geld in deze envelop." Grootvader Jan Gerrit van Eden en zijn vrouw Anna Waagmeester stuurden hun felecitaties per Expresse en kwamen nog diezelfde week op bezoek in Voorburg. Er waren felicitaties van de pedagoog Prof. Martien Langeveld met de opmerking dat een geboorte tegelijk afstand doen is en in bezit krijgen en hij schrijft "dat opvoeden een belangeloosheid veronderstelt van een ganse levensphase en dat huwelijk en kinderopvoeding de twee grootste cultuurscheppende machten in de mensenziel zijn." Er zijn ook brieven met felicitaties die herinneren aan de oorlog: " wij hebben de laatste maanden een zware beproeving te doorstaangehad. Op 26 Januari werd ons aangezegd dat we met drie dagen ons huis uit moesten en de Duitschers er in. [ ] , ons goed verspreid over acht verschillende adressen. Mijn bibliotheek, met zorg gerangschikt en geordend, versplinterd en zoo goed als onbereikbaar voor me. Mijzelf bij zeer lieve menschen onder gekomen."In een andere brief van tante Trein en oom Jan uit Alkmaar stond het volgende met betrekking op de situatie in 1942: " Hoe hebben jullie ‘t wel met de koude gehad, kregen of krijgen jullie nu extra rantsoen brandstoffen en voedselvoorziening. Wij hebben een dag zoo goed als zonder brandstof geweest, maar hebben een bon van de buren Bruin gekregen, waarvan wij reeds ruim een week hebben gebruikt dus is grootendeels reeds verstookt, doch hebben nu nog weer de toezegging van een rantsoen, maar de kolenhandelaar zou daarvan de helft leveren om zijn klanten zooveel mogelijk is te helpen, doch hebben nog niets ontvangen. Onze Burgemeester v. Kinschot is reeds ontslagen en moeten de 400 burgers ‘s nachts 2 uur wacht houden omdat een electriciteitskabel is doorgesneden, waarvoor reeds f 25000—en f 50000—boete is opgelegd en vermoedelijk voor het laatste geval f 100000—zal betaald moeten worden. Dus wij zullen met e.e.a. heel wat moeten offeren." In dezelfde brief belooft tante Trein een jasje en een mutsje te maken voor de kleine en hoopt dat dit de goedkeuring kan wegdragen van de ouders. Van het personeel van het Centraal bureau van de Statistiek waar mijn vader de functie van afdelingschef voor de onderwijs statistiek vervulde was er een zeer gevarieerd bouquet bloemen dat mijn moeder tot aan den laatsten dag van haar verblijf in het ziekenhuis bij zich hield. Mijn vader deelde het personeel mede dat door een gelukkige omstandigheid, mijn moeder op 7 april in de gelegenheid was om het personeel op thee en gebak te onthalen, hij voegde er aan toe dat beschuit met muisjes een onbereikbare tractatie was.

 Tenslotte ontvingen mijn ouders een ‘Herzlichen Gluckwunsch" van de Familie Tekath-Fungerlings uit Oberhausen. Mijn vader had hen leren kennen gedurende zijn werk voor een Nederlands arbeidsbureau aldaar, weinige jaren voor dat de oorlog uitbrak. De envelop was door de censuur van de "Wehrmacht’ geopend en er was een bijlage in beslag genomen. Bovendien zie ik nu dat de postzegel met een beeltenis van Hitler ondersteboven op de envelop geplakt was, zou dat toeval zijn?

 

 

 

 

 

30-7-42.jpg (5857 bytes)30-7-1942

 

Mijzelf in de wieg, kijkend naar een gehaakte met wol of katoen gevulde bal die aan een koortje van de kap naar beneden hangt. Misschien is dit de origine van de balvormige objecten die in de zeventiger jaren in mijn schilderijen verschijnen in een soortgelijk perspectief. Nu ik er op ga letten komen heel veel situaties uit mijn vroegste jeugd onbewust in mijn schilderijen terug. In een brief uit 1944 van mijn moeder aan haar verre familie, die ik kortgeleden in handen kreeg beschrijft ze hoe ik voetenbankjes e.d. opstapelde, zelfs boven op onze liggende Ierse setter, om er vervolgens zelf op te klimmen. Stapelingen in de kunst vind ik emotioneel heel bevredigend en veel van mijn figuren zet ik balancerend op de meest wankele stoelen en barkruks. Ik heb ook geen moeite om betrekkelijk ongeassocieerde voorwerpen in torens op te stapelen.

In een brief van 25 October aan Lena en Jan Goedhart te Wormerveer bedankt mijn moeder voor een zending goudreinetten en gaat dan verder met een kommentaar over mij: "Het wordt anders een echte kwajongen, klauteren dat hij doet, het is gewoon verschrikkelijk. De box is nu weg, hij klom er zo over heen, terwijl z’n voeten nog wel vastgebonden waren. Kees heeft nu in de kamervloer een schroef gedraaid, een touw er aan, en daar staat Hummel [dat ben ik] ‘s morgens aan. Alles uit z’n bereik, behalve de ramen en Boy [de hond]. Hij vermaakt zich best en ik heb tenminste m’n handen vrij. Ik werd er wanhopig van, steeds moest ik hem in de gaten houden, en om verbieden en slaan geeft hij nog niet. Of het door Boy komt, dat hij zo baldadig wordt, ik weet het niet… Boy is wel een trouwe makker voor hem, ze zoeken elkaar altijd en Jan Gerrit kan alles met hem doen. Als Boy in z’n stoel rustig ligt te slapen, zet J.G. een voetenbankje boven op hem en gaat er zelf op staan. Boy geeft een grauw, maar je hoeft nooit bang te zijn dat hij hem bijt." Nu ik dit zo lees herinner ik me een verhaal van mijn moeder dat zij mij eens, bij het binnenkomen van de woonkamer, aan de andere kant van het raam zag staan, d.w.z. op de vensterbank aan de buitenzijde, nu was het niet zo hoog, een eerste verdieping, maar toch! De neiging tot opstapelen is waarschijnlijk een heel universele menselijk eigenschap, maar ik ben me er tenzeerste van bewust en als compositie techniek maak ik er nog dikwijls gebruik van.

43.jpg (6176 bytes)1943 van Duvenvoordelaan 60, Voorburg
Met mijn moeder

 

1944

We leefden oder het schutsveld van de V2’s die op Londen werden afgevuurd, ze vlogen over met een gierend geluid en zolang je dat hoorde was het veilig, maar wee de projectielen waarvan de raketmotor stopte.

Nearby strike of an airborne bomb causes damage to the elderly home, but nobody of the family is hurt. Damages such as a chipped frame of a large watercolour by Cees Bolding were a constant reminder of the incident. The effects, particularly the shattered windows of the home caused a deep and lasting impression on me.

 

1945

Birth of my sister Beatrijs, on my third birthday, 16th March.

My father keeps a diary of events during my stay with family in Wormerveer, where I was evacuated because of food shortages at home:

Mijn vader schrijft: Enkele notities voor Jan Gerrit betreffende zijn verblijf bij oom Wijbrand en tante Aagje in den tijd van Beatrijs’ [mijn zuster] geboorte.

 

1 Maart: Tante Aagje schrijft, dat oom Wijbrand en Annie [zijn dochter] het voornemen hebben J.G. per fiets te komen halen, daar overbrenging voor den vader zelf i.v.m. zijn leeftijd (jonger dan 40 jaar) te gevaarlijk moet worden geacht. Nog dagelijks zijn er razzia’s voor arbeid in Duitschland. Tante A. schrijft, dat J.G. geen bonnen en geen levensmiddelen behoeft mee te nemen i.v.m. den in de stad heerschenden hongersnood.

 

10 Maart: des avonds laat, d.w.z. tegen 8 uur, komen oom W. en An aan. Zij vreezen eerst, als zij zien hoe alle huizen aan de straat zijn geblindeerd vanwege den bominslag op 28 Februari op 10 meter afstand van ons huis, niemand te zullen aantreffen. De vrees blijkt ongegrond: achter de planken en voor de ramen geplaatste binnendeuren wonen menschen.

J.G. geeft al gauw te kennen, dat hij er niet voor voelt mee te gaan met dien "man" en die "tante"! Als hij hoort, dat er te Wormerveer een poes is, raakt hij al wat met het plan verzoend.

Den volgenden morgen blijkt de poes den doorslag te geven. J.G. wil mee, is zelfs wat bevreesd, dat de man en de tante zullen vertrekken zonder hem. Nadat oom W. en An een kijkje hebben genomen in het den 3en Maart geteisterde Bezuidenhoutkwartier word plm. Half tien de reis aanvaard. J.G. gekleed in een astrakhan jasje dat zijn moeder uit een oude bontjas van haarzelf had gemaakt. Oom W. en An met hun neef begeleid tot in Voorschoten. J.G. houdt zich flink bij het afscheid van mama, tante Til (Zonnevijlle) [onze buurvrouw] en zijn boezemvriend Henk, houdt zich eveneens flink als zijn papa terugkeert. Wel wordt hij vuurrood, maar overigens beheerscht hij zich en gaat het achter op de fiets van oom Wijbrand op naar de Zaan.

 

12 Maart: Annie schrijft, dat zij den vorigen dag te half zes te Wormerveer arriveerden. J.G. vertoont geen symptomen van heimwee. De eerste halte was geweest bij den apotheker Happe te Oegstgeest, waar J.G. een kopje warme melk kreeg. Daarna deden zij te Hillegom een café aan. Verder liepen zij heele stukken, daar het vrij koud was. Van oorlogshandelingen in het geheel geen last ondervonden. Bij het veer te Buitenhuizen moesten zij vrij lang wachten, vooral het roeitochtje, dat er op volgde vond J.G. prachtig. Hij sliep nu tot 8 uur.

 

13 Maart: Aagje schrijft: "J.G. maakt het best. Hij is erg lief, eet en slaapt best. Hoewel de reis des Zondags goed verliep, was J.G. toch koud aangekomen. Hij had tante Aagje wel niet direct herkend, maar was toch gauw met haar thuis. Om 7 uur lag hij al met een warme kruik in bed en had tot 8 uur doorgeslapen. En den volgenden middag maar weer in bed: om 4 uur moest hij gewekt worden, omdat hij uit zichzelf maar niet wakker werd.

Hij speelt met Rie Goedhart en Bets Oly.

 

24 Maart: Aagje schrijft: J.G. maakt het best. Hij is den heelen dag buiten meestal bij de kinderen van Oly, den boer. Daar is natuurlijk alles even prachtig. Schapen, lammetjes, koeien, hij is nergens bang van. Vanmorgen was hij met paard en kar het land in; dat was fijn natuurlijk. Hij is 3 nachten droog geweest. Ik denk, dat als hij des avonds alleen brood krijgt, het goed gaat. ‘s Nachts neem ik hem niet op. Hij eet best en vind alles lekker. Morgen gaat hij naar oma van Eden. An zal hem ‘s morgens brengen en ‘s avonds weer halen. Op zijn verjaardag zijn oma, opa en tante Diet er geweest, maar hij had niet veel praats tegen hen. Zij waren hem blijkbaar te vreemd. Moeder vroeg, of wij met Paschen kwamen en dan wilden zij J.G. een weekje houden. Bij andere menschen is hij stil. Hij lacht dan maar eens. En als je hem vraagt of hij weer naar Voorburg wil, dan zegt hij "neen, want alle ramen zijn kapot. Als die weer gemaakt zijn, dan ga ik weer weg." Zijn zusje noemt hij "Trijs". Hij denkt, dat zij nu in zijn bedje ligt. Wijbrand voegt er aan toe: Jan Gerrits kuren hebben wij ook al ondervonden. Als hij eenmaal "neen" heeft gezegd, dan is er niet veel meer met hem te beginnen. Afleiden lijkt mij het beste, de laatste dagen gaat het goed.

 

27 Maart: Tante Diet: Zondag is kleine J.G. bij ons te gast geweest. Wat een schattige jongen is dat. ‘t Is net zoo’n zonnetje in huis. ‘n Ondeugend rakkertje hoor. Hij wordt net als zijn vader vroeger. Hij zit vol streken en plagerijen, maar echt leuk. ‘s Morgens heeft hij de konijnen gekeken en achter gevoetbald met opa en oma. ‘s Middags zijn wij naar het Park geweest, een heel stel kinderen mee, zoo leuk. Jan Gerrit zat onder op den wagen [invalidenwagen van mijn tante die sinds haar 16e aan beide benen verlamd was door kinderverlamming] en wou er beslist niet af. Hij zat als een vorst en genoot. Later heeft hij met Sieuwtje gespeeld en toen An Prins hem tegen zessen kwam halen, wilde hij niet weg. Ik heb gevraagd, of zij hem nogeens brengen, want ik vind het eenig zoo’n schat. En voor Pa en Moe, ook zoo aardig eens, hij praat zo leuk, hoewel hij raar kan doen ook, hoor. Hij vond het prachtig om te zeggen; "Ik sla je kop dood" hoe komt hij er aan? Maar als je zei: "Jan Gerrit, kom je nog een dagje?, dan zei hij: "Neen, want morgen ga ik naar mijn pappa". Hij zei: "Vandaag is mijn zusje lief, maar morgen slaat ze je op je kop".

 

8 April: Oma Bolding: Jan Gerrit is hier Dinsdag, 3 April gebracht, dus na Paschen. Ze zouden hem met Paschen brengen, maar omdat er zooveel wind was, ging dat niet. […] Hij speelt veel met Karel; ze kunnen het best met elkander vinden. Karel gevoelt zich de oudste en moet op hem passen. […] We maken hem nu geheel mee, dus zien nu meteen hoe hij is. Hij babbelt van alles en als hij wat wil, zegt hij iedere keer: Mag dat wel? […] Het is wel gemakkelijk dat hij zoo goed van huis kan. Bij Aagje vond hij het goed en ook hier weer. Hij heeft Jan Willem gezien, maar daar maakt hij niet veel van. Hij zegt: Die kan toch niet loopen! We vonden hem wel groot geworden. Hij ziet er best uit en wat is hij zwaar. Ze vinden hier alle, dat hij op jou gelijkt, Guus [ mijn moeder] […].

Van de week ben ik met J.G. naar de kapper Klopper geweest. Hij ging graag mee, maar toen hij op de stoel moest, wou hij niet. Erg schreeuwen. Maar de kapper bond hem vast met een riem en toen bedaarde hij gauw. Ik hield zijn hoofd vast en toen ging het goed. Hij begreep zeker wel, dat hij het niet kon winnen. ‘t Is erg opgeknapt, want z’n haar werd zoo lang. Hij vraagt nu aldoor: moet ik niet naar den kapper?

 

11 April: Aagje: […] Ik vond het erg vreemd, dat J.G. weer weg was. Morgen zullen we nu wel hooren, wanneer we hem weer moeten halen. De laatste week, dat hij hier was, is hij de hele week droog geweest maar met Paschen was hij weer drijfnat, wat gek toch, he! Hij mag hier gerust nog wat blijven. Halen kan Kees [mijn vader] hem niet en hiervandaan brengen, daar hebben ze natuurlijk op het oogenblik met dat beschieten ook geen zin in. Eten hebben wij nog wel voor hem. Hij at niet zooveel meer als de eerste weken. Op pap was hij gek en vleesch was ook altijd zijn eerste vragen: Hebben we vleesch? Was het dan. Hij heeft een keer of wat een eitje bij Oly gehad. Nu, dat vindt hij ook fijn.

 

15 April: Oma Bolding: […] Hij is niet lastig, maar heeft wel eens tijden, dat hij niet wil doen wat we zeggen en dan krijg je het niet gedaan van hem. Hij zegt dan maar trouw: "neen". Maar dan krijgt hij een paar tikken en huilt even, doch hij is het nogal gauw weer vergeten. […] Als ik hem vraag over Voorburg, dan vertelt hij weleens wat, maar hij maakt er verder niets van. Hij begint nu een beetje naar Jan Willem te kijken. Hij weet wel, dat hij een zusje heeft en hoe ze heet. Jan Gerrit is best en voelt zich overal thuis. Heb daarover maar geen zorg.

 

8 april: Tante Diet: J.G. is nog niet meer bij ons geweest; wij hopen, dat hij spoedig nog weer eens gebracht wordt. Ik ben er ook niet heen geweest, omdat zoo’n kind daar vast niets aan vindt of je daar op visite zit en ‘t is altijd de vraag of ik Aagje thuis tref en ‘t is moe te ver. Als J.G. weer bij ons is, ga ik hem even aan Diet Japies [een nicht getrouwd met Klaas Bolding, broer van Cees]; die is ook nieuwsgierig naar hem. Cees Bolding vindt het altijd zoo’n eenige jongen zegt ze. [Cees Bolding was in de 50er jaren adjunct directeur van de Koninklijke Academie te Den Haag, hij schilderde in een traditionele stijl verwand aan de Haagse School. Hij was voor mij, ook in de vijftiger jaren, het eerste contact met de kunstwereld.]

 

Poster by an exhibition of  Cees Bolding in 1997, reproduction of the painting "Nettenboetsters", 1943. This painting was hanging in my elderly home, presently with my sister.

 

 

 

 

 

 

 

19 april: Oom Wijbrand: Jan Gerrit hebben wij gistermiddag weer gehaald. […]

Tante Aagje: J.G. keek wel blij, toen hij weer hier kwam. Hij ging weer naar huis vertelde hij en dat was naar de Noorddijk [woning van de fam. Prins te Wormerveer] Dus hij voelt zich zeker nogal thuis hier, hoewel hij gerust wel eens een standje van me krijgt, want we zulllen je maar geen verwenden jongen terugsturen, daar heb je niets als last van. Hij loopt nu met een zomertruitje en dat blauwe vestje zoo bij huis. Wat hebben we een mooi weer , he? Het is ‘s middags volop zomer aan de dijk. Hij eet nog best. Zoo pas nog graag 4 boterhammen en ‘s morgens 1 of 2 met een bord gortmout. ‘s Middags 2 porties met een bordje pap. […] Hij is den heelen dag buiten geweest. Alleen even eten. Meest aan de overkant, waar ze stonden te visschen. Hij zeurt steeds al om een stok met een touwtje. Dan wil hij zeker ook aan den gang, maar dat zullen we toch maar niet doen.

 

22april: Oma Bolding: Verloopen week Woensdag heeft Wijbrand J.G. weer hier vandaan gehaald. Hij is hier 16 dagen geweest en het was erg vreemd toen hij weer weg was. […] Hij ging weer graag mee naar Wormerveer, vooral omdat hij op de fiets mocht. […] Als we vragen, of hij niet weer naar mamma en pappa moest, zei hij altijd: "Als de potte ruiten heel zijn". En hij zei zoo triomfantelijk tegen mij: "en Henk [mijn Voorburgse boezemvriend] moet bij de potte ruiten". Eerst begreep ik het niet, maar later kwam ik er achter, wat hij zei. Hij kuste wel jullie’s portretten, die ik hem zien liet. En over Boy [de hond van mijn ouders die rond deze tijd , tot groot verdriet, weggegeven moest worden aan een tuinder in het Westland, omdat er in Voorburg geen voedsel meer voor hem was] zei hij: "Als mamma drietig is, gaat J.G. op mamma’s schoot zitten!". Je hoort wel, dat hij z’n thuis nog niet vergeten is. Hij ziet er best uit, alleen heeft hij erg veel last van jeuk. Hij zegt dan, dat komt van de vlooien. Ik deed er dan maar wat poeder op. […] Wat het spelen betreft, dat was heel anders dan hij gewoon was, denk ik. In de boschjes, wat voorheen boschjes waren, in Tuindorp, zijn allemaal kuilen gemaakt. Daar spelen nu alle kinderen in. Daar waren J.G. en Karel ook bij. Ze maken dan een tankwal met water en worden vanzelf tamelijk vuil. Ik moest alle avonden z’n beenen wasschen. Maar hij vond het prachtig. ‘s Morgens kwam Karel hem altijd halen en dan gingen ze er samen op los. J.G. is dol op bloemen plukken en dan moesten ze in een vaasje. […]

 

29 April: Oma Bolding: Ik kan me wel voorstellen, dat je Jan Gerrit weer graag zou zien. Vrijdag was Wijbrand hier en vertelde, dat J.G. weer blij was, toen hij in Wormerveer kwam. Hij was erg lief, dus ik had hem zeker nogal niet verwend, want die orders had ik van Aagje gekregen. Hij speelde nu weer met de buurtjongens en bij den boer op het land. ‘t Wordt een echt buitenkind en de stadsmanieren moeten er later maar weer aankomen. Hij staat buiten te plassen en ‘s nachts is hij zoowat altijd droog. Dus je ziet wel, hij komt groot terug.

Hier eindigd het verslag van mijn vader. Ik moet begin Mei weer teruggebracht zijn naar Voorburg, de bevrijding van Nederland was immers een feit.

 

1945

Als Canadese soldaten [de Canadezen hadden Den Haag en Voorburg bevrijd] verkleed deden mijn vriendje Henk Zonnevijlle en ik mee aan de gecostumeerde optocht van het bevrijdingsfeest. We waren in bruin pakpapier gehuld en ik herinner me als de dag van gisteren het knisperende papier tussen mijn benen bij het lopen. Ik vond het verschrikkelijk en heb er mijn leven lang een afkeer van verkleedpartijen aan over gehouden.

 

 

Met mijn buurjongen Henk Zonnevijlle (rechts) allebei verkleed als Canadees soldaat voor de gecostumeerde optocht gedurende het bevrijdingsfeest.

 

[45 mei canadees kostuum-bevrijdingsfeest]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Op straat met klompen, gefotografeerd door een anonieme straatfotograaf.

[45 op klompen]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1946

Dit jaar ging ik naar de Montessorie kleuterschool, gesitueerd in een park met grote beukebomen aan de rivier de Vliet (Vreugd en Rust). Met andere kinderen uit mijn buurt gingen we er lopend heen onder begeleiding van steeds een andere moeder. Al snel weigerden ze me nog mee te nemen in de groep omdat ik bij het oversteken van de Laan van Nieuw Oostindie, toendertijd de weg naar Rotterdam met het drukste autoverkeer in Nederland, steevast bleef staan, wanneer de groep naar de overkant rende, omdat ik dat onder mijn eigen verantwoordelijkheid wilde doen. Toen mijn moeder me vervolgens elke dag op de fiets wilde brengen, verzette ik mij en liet me niet op de fiets zetten. Uiteindelijk ging ik dus dagelijks in mijn eentje lopend naar school! Mijn moeder drong er dagelijks bij mij op aan goed uittekijken bij het oversteken en naar zij zegt sloop zij mij dikwijls ongezien achterna tot aan die drukke autoweg om zich er van te vergewissen dat ik veilig overkwam. Ik vermaakte me kostelijk op mijn dagelijkse tocht naar en van school. Soms kwam mijn moeder me ophalen van school en het gebeurde dat ik dan niet mee wilde en me vastklampte aan een been van de juf. Mijn juf had donker halflang haar binnengekruld recht haar met een pony. Zij was naar ik me herinner geheel in het zwart gekleed en droeg naoorlogse kwaliteit zwarte nylons en pumps met halfhoge hakken. Ik ben mijn leven lang gefascineerd geweest door zwarte gehakte schoenen en benen in nylons. Mijn moeder kreeg mij dan mee door een beroep te doen op mijn grote verantwoordelijkheisgevoel, zij riep dan dat ze dacht dat haar fiets werd gestolen waarop ik naar buiten rende om de dief te pakken. Ik herinner mij als de dag van vandaag hoe ik mij vastklampte aan de benen van de juf van de Montessory kleuterschool omdat ik, dwars als ik was, niet naar huis wilde met mijn moeder. Ik herinner me heel physiek haar zwarte nylon kousen, en breed gehakte, gelakte, zwarte schoenen. Verder herinner ik me pas weer nylon kousen uit de advertenties in Libelles die in stapels op de zolder lagen, maar dat was al in mijn pubertijd.

Buiten schooltijd speelde ik met de kinderen uit de buurt in het open veld met ruines tegenover ons huis dat daar ontstaan was na de bominslag in het laatste oorlogsjaar. Met mijn boezemvriend Henk liep ik mee in de gecostumeerde optocht van het eerste herdenkingsfeest na de bevrijding. Wij waren beiden gestoken in bruine pakpapieren uniformen met baret naar het model van de Canadezen die Voorburg bevrijd hadden van de Duitsers. Ik vond het knisperende papieren pak verschrikkelijk om te dragen en ik heb me sindsdien nooit meer willen verkleden.

In de strenge winter van dat jaar zakte ik door het ijs in de plas die ontstaan was in het midden van de bomkrater. Een buurman redde mij met gevaar voor eigen leven, door liggende op planken naar mij toe te schuifelen en mij er uit te trekken.

 

 

1947

Mijn zusje Beatrijs was nu groot genoeg om buiten te spelen en ik moest op haar passen, maar veel geduld had ik niet met haar en binnen de kortste keren zette ik haar weer op de trap onder de kreet hier heb je haar weer. Het leukste was het spelen met water en modder op het open terrein aan de overkant. Grotere meisjes in de buurt namen me overal naar toe om met me te spelen, er gebeurde niets speciaals maar ik vond hun aandacht wel fascinerend. Eens toen ik alleen aan het spelen was met een grote rubberen voetbal, die ik van mijn "oom" Guus Bauer had gekregen, pakte een mij volslagen onbekend en veel ouder meisje dat toevallig in de straat passeerde deze voetbal van mij af en zonder mij te bedenken wierp ik mij op haar en trok haar jurk aan flarden. Haar ouders kwamen later klagen. Oom Guus was een oude collegevriend van mijn vader die naar Indonesie was vertrokken waar hij werkte voor het gouvernement. Hij had indrukwekkende grote oren en was heel lang. Op zijn bezoeken terug in nederland zocht hij ons op en bracht prachtige cadeaux mee, zoals die grote rubberen voetbal. Een ander incident dat mijn vader vaak verhaalde, was toen Martien Langeveld, de later beroemde professor in de Pedagogie aan de Universiteit van Utrecht, mij een zilveren lepeltje cadeau gaf. Ik retourneerde dit kindonvriendelijke cadeau rechtstreeks richting zijn hoofd, waarop hij mij een geweldige klap gaf. Dit gaf mij, zo klein als ik was, wel te denken en sindsdien sla ik kinderen ook meteen, als ik vermoed dat ze stout zijn. Ik had ook meestal geen zin om met mijn moeder de stad in te gaan, ze beloofde me dan zuurtjes, maar mijn antwoord was dan dat ze die toch wel zou kopen omdat ze ze zelf zo lekker vond. Mijn vriend Boy de hond was er niet meer, alhoewel we hem nog regelmatig opzochten. Omdat het goed is voor kinderen om een dier in huis te hebben had mijn moeder een poesje geadopteerd, maar ik speelde allerlei onverantwoorde spelletjes met het arme beest. Op een dag had ik het in de, wel is waar gedoofde, potkachel gegooid en het had daar enige uren radeloos in de as rondgesprongen. Toen het door mijn moeder bevrijd werd nam het de benen en we hebben hem nooit weer teruggezien.

 

 

Beatrijs op de step en JG met de rubber bal (cadeau van oom Guus)

[47 Voorburg-Beatrijs en JG met rubber bal]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1948

Mijn vader verliet het Centraal Bureau van de Statistiek in Den Haag en accepteerde een nieuwe baan om een sociale vereniging van havenarbeiders op te zetten in Rotterdam. We verhuisden naar de Navanderstraat 6 te Rotterdam op 14 juli 1948, een veel te klein appartement, in een naar onze doen een slechte buurt. Op dezelfde verdieping aan de andere kant van het trappenhuis woonde een aardige vrouw die vaak in de open deur stond  in haar roze peinoir. Ze ontving zeelieden, zei mijn moeder. Op een goede dag kwam zij in het trappenhuis een man tegen die haar aansprak en dit bleek een oud-leerling te zijn geweest van mijn moeder, die onderwijzeres was in de jaren voor haar huwlijk.Na onze aankomst in deze buurt sloot ik  me oogenblikkelijk aan bij de lokale straatbende en ik bevestigde mijzelf door vriendjes die niet naar mij wilden luisteren met hun kop tegen het beton te slaan waarna zij bloedend naar huis gingen. Er kwamen constant ouders klagen over mijn gedrag. We organiseerden ook winkeldiefstallen, uitsluitend voor de gein. Ik herinner mij de winkeldiefstal die we samen met nog een paar jochies pleegden van een aantal rood geverfde keramische kandelaars in de kersttijd. We werden betrapt en het was een hele heisa. Ook maakte ik helemaal in mijn eentje tochten door de stad. Ik zette een koers uit op mijn kompas, dat ik op mijn verjaardag had gekregen, en na een uur of zoiets lopen in dezelfde richting kwam ik weer terug in de tegenovergestelde. Mijn vader nam me mee op tochten in kleine sleepbootjes door de haven en ook naar het jaarlijkse uitje voor de havenarbeiders. Mannen die zo dronken waren dat ze de gummieknuppel waarmee de politie ze sloeg niet voelden, of tenminste ze bleven gewoon liggen op ongeoorloofde plaatsen. Er werd gezongen en op het feest waarde een Neptunus rond die mensen onderdompelde om ze te dopen in een ritueel dat ik niet begreep, maar de algehele ruwheid boezemde me wel ontzag in. Op de 1ste Mei ging ik met met mijn vader naar PVDA demonstraties en met Pasen zochten we eieren tezamen met de Socialistische jeugd. Mijn Moeder moest er niets van hebben en met verkiezingstijd moest ze onder druk worden gezet om op de correcte partij te stemmen.

Ik ging naar de Openbare Dalton lagere school. Ik behaalde mijn zwemdiploma’s A en B in het Sportfondsenbad. Een en ander onder zachte dwang van mijn moeder, want ik haatte water om in te zwemmen. Vaak maakte ik de zwembroek nat onder een publieke pomp om althans de indruk te wekken dat ik naar het zwembad geweest was. Het diplomazwemmen op het eind was wel leuk, van mijn ouders kreeg ik een plastic model vliegtuig als vergoeding voor de doorstane ellende. Nu herinner ik mij ook het aquarium met twee goudvisjes dat mijn zus en ik op onze verjaardag van onze huishoudelijke hulp (Kate) kregen. Mijn vader die als rechtgeaarde Hollander dacht dat aardappels zo ongeveer het beste was dat je kon eten, gooide een paar kruimels in het aquarium, waarop de visjes de volgende ochtend met hun buikjes naar boven dreven, maar boos of verdrietig waren we niet.

 

 

 

Guus, Beatrijs en JG op Navanderstraat 6 te Rotterdam

[49 Navanderstraat nr 6 - 2]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1949

Tegen het einde van het jaar kreeg mijn vader een nieuwe baan als directeur van het overkoepelend orgaan der kinderbescherming.

1950

Op 9 maart verhuisden we naar een riant huis met een grote tuin op de Kiplaan 30 in de Vogelwijk van Den Haag.

 

De hele familie voor ons huis Kiplaan 30 te Den Haag. JG op zijn te grote fiets voorzien van houten blokken op de trappers

.[52 Den Haag - Kiplaan]

 

 

 

 

 

 

 

In de zomer hadden mijn ouders een werkvakantie voor me bedacht. Onze vroegere hulp in de huishouding Kate, die van Duitse afkomst was,  bracht mij naar familie van haar op een landbouwboerderij niet ver van de Nederlandse grens in Duitsland. Het was een prachtig gebied met korenvelden en de boerderij was een markant gebouw met een gesloten vierkante binnenplaats, waardoor je naar binnenkwam door een gewelfde poort.
I must have stayed there for 4 or 5 weeks, obviously I didn't understand the people at all as they only spoke German, but no problem, I enjoyed myself, mostly accompanying the men in the field. I'll tell you one of my adventures. One day we went out to collect the horses from their grazing fields. The farmer asked me with gestures  to take one of the horses back home. After putting on the holster he handed me the end of the rope and I walked homewards with the workhorse stepping behind me. For me the horse seemed enormous and I was rather apprehensive, but nevermind. The rope I held must have been half-inch thick, but it felt as a very thick mooring rope in my 5 year old hands. On arriving at the farm I walked through the gate onto the court that was paved with cobblestones. I heard his steps klok..., klok... behind me and I hardly dared to look back, so I kept marching at quite a pace for not being trodden on by the horse. In hindsight I should have stepped aside and left it at that, but responsible as I was I didn't let the horse go, and not  knowing how to stop him,  I kept walking in circles around the court until the farmerswife came to my rescue. It may have been only a few minutes, but in my memory it lasted an eternity.
And so I carried on this summer excommunicated  in an golden landscape  of which the memories come back to me whenever I see the paintings with corn fields of van Gogh.

 

 

1951

Ik ging naar de Nutsschoolop de Sportfondsenlaan. Ik was een lastige leerling en bijna dagelijks werd ik de klas uitgestuurd en stond ik op de gang. Ik herinner me menige keer dat de onderwijzer in de klas achter me aanrende terwijl ik over de banken sprong om me niet te laten pakken. In het speelkwartier speelden we ruwe spelletjes en rookten we sigaretten. In die tijd had mijn vader thuis sigaretten op de salontafel staan en bezoekers werden eerst uitgenodigd voor een sigaret of een sigaar. Deze gewoonte om af en toe te roken heb ik opgegeven toen we in 1953 naar Groningen verhuisden. Ik kan dus zeggen dat ik gestopt ben met roken op mijn 11de.

Mid 1951 werd mijn vader onheuselijk ontslagen, vanwege een conflict met een van de bestuurders van de Raad voor de Kinderbescherming. Vanwege het onslag zat mijn vader bijna een jaar lang thuis op een riant salaris dat dus kennelijk betaald werd uit de opbrengst van de caritatieve kinderpostzegels. Mijn vader was een echte vechtjas en hij accepteerde het ontslag wel, maar voor de volgende baan wilde hij er niet op achteruitgaan wat zijn carriere betrof.
Met mijn vader ging ik naar de Picasso tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum. Ik vond het prachtig, maar in de pers werd er nog getwijfelt of Picasso nu een groot kunstenaar of gewoon een charlatan was.

 

 

1952

Den Haag, Kiplaan 30, Vogelwijk

Ik weet niet waarom maar ze plaagden me altijd wanneer ik met Hermien, mijn buurmeisje, naar school liep. Ik vond haar wel aardig.

Anders dan de jaren van Rotterdam woonden we nu in een hele nette buurt, we vermaakten ons met de jongens door oorlogje te spelen door ons te verdelen in twee groepen en dan in tegengestelde richting elkaar te besluipen in de achtertuinen van de huizen. Hierbij moesten we over schuttingen en schuurtjes klimmen die de afscheidingen vormden van de tuinen. Achter ons huis stond een grote wilgeboom, zo hoog als ons huis, waar ik vaak in klom. Mijn moeder vond alles goed. Soms ging ze naar "de stad" op de fiets en ging dan met haar mee op rolschaatsen. Dit waren schaatsen met  5of 6 cm grote ijzeren wielen, die elke paar maanden vernieuwd moesten worden. Op school waren er altijd gevechten tussen leerlingen van verschillende klassen, waar ik behoorlijk huis hield. Op een goede dag werd ik door de vader van een "slachtoffertje" in het voorbij gaan aan hun huis, van de straat geplukt en ze sloten mij op in de garage van hun huis. Ik herinner me een ochtend opgesloten te hebben gezeten, maar ik had er geen moeite mee en het had geen verdere consequenties. Er waren weinig autos in de buurt, maar mijn vriendje Leo had een familie connectie met een auto, en als het goed gesneewd had lieten ze ons de sleetjes met touwen aan de achterbumper vast maken, waarop we door de buurt toerden.

Juli 1952 mijn vader wordt benoemd tot directeur van de Sociale Dienst Groningen.

Mijn vader verhuisde naar Groningen en mijn moeder bleef met mij en Beatrijs in het huis van de Vogelwijk. Het gaf mij als jongen van 10 jaar veel vrijheid en verantwoordelijkheid.

1953

Vanaf januari woonden we aan de Hofstede de Grootkade 33 in Groningen. Op 15 januari ging ik naar de Van de Berg school. Omdat ik wegens wangedrag en het op de gang staan, een groot deel van de lagere school had gemist, kwam het advies om mij de 6de klas te laten herhalen. Mijn vader was het hier helemaal niet mee eens en bezweerde de directeur van de school me wel het een en ander bij te zullen brengen. Iedere avond en weekeinden kreeg ik les van mijn vader en ik heb heel wat afgehuild, maar ik kan zeggen dat ik de lagere school in één jaar volbracht heb. Aan het eind van het schooljaar slaagde ik met vlag en wimpel voor het toelatingsexamen van de Hoogere Burgerschool.

Geboorte van mijn broer Willem.

 

 

Mijzelf, mijn moeder Guus, de pas geboren Willem en Beatrijs in de tuin van Hofstede de Grootkade 33 te Groningen

[54 Groningen - JG, Guus, Willem, Beatrijs]

 

 

 

 

 

 

 

1954

Rijks HBS. Alhoewel nog wel heel lastig voor de leraren, werd ik een voorbeeldige leerling.

 

1955

On the bike from Groningen to Rotterdam all by myself, staying overnight at adresses from friends of my parents, to the E55. On this large open air exhibition the first television of Philips was presented and I also remember the 360 degrees sound surround film projection.

Zondags gingen we regelmatig naar Pictura, waar de Groningse schilders van De Ploeg exposeerden. Deze groep is verwand aan de Duitse expressionisten van voor de oorlog, waaronder Ernst Ludwig Kirchner en Paula Modersohn Becker veel invloed hadden op mijn ontwikkeling als schilder.

 

1956

1957

Benefiet veiling in het Groninger Museum , mede georganiseerd door mijn vader C van Eden, die president van de Groningse afdeling van het Koningin Wilhelmina Fonds voor de Kankerbestrijding (KWF) was. Mijn ouders kochten hier ook een aantal werken waarvan de Anton Buitendijk en de Teun Roothart nog in mijn bezit zijn.

1958

 

1954-1958 Summer camps at Terhorne (Frisia) with the seascouts "De Bevers". Flat bottom sailing boat in the background.

Jan van Eden, Joost Hamming, (?), ... van Doornmaal in the picture.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1959

 

Met Katrien Bel (president van de feestcommissie) op het jaarlijkse bal van de meisjes HBS

[59 Groningen - Katrien Bel - meisjes HBS]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

On the bicycle from Groningen to Paris in the company of my friend Jan Hoogland.

"Dispute" tent of Carl Denig

[59 Reims - on route to Paris - Jan Hoogland]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Art classes at highschool were given at least half a day weekly. I won a prize at a schoolcompetition with an abstract water colour in blue and yellow. Tissing, a regionally well known artist, who was then starting to teach as an assistant at our highschool, praised my effort. The work [ref. 595801] was exhibited at the Groningen Museum.

1960

 

Carry-Ann Tjong Ayong and Catharine Vinkes in a picture with date unknown. Here to show Catharine, who was a secret love of me at the RHBS, later trouwde zij met Wim Tjong a Yong (overleden maart 2005), afkomstig uit Suriname.Dit was een van de eerste immigranten families in Nederland, zijn vader was een befaamd chirurg (?). Zijn broer Frits zat voor een heel schooljaar naast me in de bank van de 5de klas HBS.

After leaving school I met Catharine Vinkes at a school reunion in the 90ties. Only a few years later she died at a relatively young age from Creutzfeldt-Jacob Disease.

Carry-Ann also was a friend of me and she did visit the gallery Art Singel 100 in the 90ties.

 

Catharine was in mijn ogen heel mooi, ik was verliefd op haar in mijn laatste HBS schooljaar, maar had geen plannen om met wie dan ook een relatie aan te gaan, het was dus allemaal heel veel op afstand. Ik kwam haar nog een keer tegen op een schoolreuni van de RHBS in de negetiger jaren. Zij was nog steeds een mooie vrouw. Ze had Frans gestudeerd en gaf haar hele leven al les ergens in het zuiden van het land en woonde ook al haar hele leven in Bergen op Zoom. 

 

Het jaar van mijn eindexamen. Het laatste jaar was wel het gemakkelijkste. Er was een duidelijk eisenpakket voor dit ultime staatsexamen en ik kon mij daar zelf op voorbereiden. Ik liet de leraren voor wat ze waren en luisterde niet meer naar ze. Hun proefwerkjes en slimme voorbereidingen voor het examen lieten mij koud. De resultaten gedurende het jaar waren beneden peil, maar op het schriftelijke examen behaalde ik vrijstellingen voor alle Beta vakken en ik kon alle tijd voor het mondeling aan de Franse taal besteden. Dat was wel nodig, want hoewel ik altijd veel van de leraressen Frans gehouden had vanwege hun vrouwlijke charmes en ongeordende, zeg maar chaotische lesstructuur, heb ik de gramatica nooit bij benadering kunnen begrijpen en had ik dan ook slechts een twee en een half voor het schriftelijk Frans. Gelukkig had ik een geweldige literatuurlijst, een prachtig Frans accent en zwaaide ik met mijn armen om mijzelf te verduidelijken, zodat ze mij zonder meer een negen en een half gaven voor het mondeling. Mijn gemiddelde voor het eindexamen was uiteindelijk het op 3 na hoogste van de school (met drie eindexamen klassen), niet gering voor zo’n minder dan middelmatige leerling. Ik had die school gehaat, met al die geforceerde lespakketten en onverwachte proefwerken, en ik lag altijd overhoop met de leraren. I left highschool and started to take painting serious. I worked in crayon or watercolour on cheap paper. My subjects were landscapes after nature and (self)portraits mostly from photographs. I felt relieved about the omission of supervision and I was rather secretive about my creative efforts. [Ontgroening?]

1961

 

Victory for Aegir at the Amsterdam Bosbaan. At the finish where we won the Dutch National Championship of the class light-eight I am seated 3d place from the front, the 4th is lying backwards towards me.

 

 

Het studentenleven beviel me goed, de vrijheid die het verschafte stond in schril contrast met de discipline waaronder ik de RijksHBS had moeten doorlopen. Ik had me aangesloten bij de roeivereniging Aegir en in het voorjaar werden we zo goed met onze lichte acht combinatie dat we iedereen te snel af waren en steeds maar wonnen. Zodoende heb ik nog een paar medailles, waarvan een voor de nationale kampioenschappen. I continued doing watercolours after nature, much in the style of my ‘uncle’ Cees Bolding. I did this so convincing that my family did’t see the difference and for years they attributed works of Bolding in the elderly home to me. I experimented in various styles and various techniques, making my own paints from pigments, using eggyolks from my mothers fridge to make an eggtempera medium. Max Doerners book 'Malmaterial und seine verwendung im bilde' was the basis of my technical knowledge. Also I did a good selfportrait in black crayon on green paper in the style of Paul Citroen. During the summer we went with the whole family to Italy and I visited Florence together with my father. In the months before I studied the art and architecture of Florence in quite some depth. At University I followed lectures in art history on 19th century Romanticism: Gericault, Casper David Friedrich etc.

1962

Mijn studie in de wis- en natuurkunde ging op normale wijze.

In juni deed ik mee aan een eerste oefening in geologisch veldwerk, samen met studenten uit Leiden. De oefening behelsde een kartering van een geologisch al bekend gebied in de Belgische Ardennen.

 

 

1962 Corcubion Galicie  [62 Corcubion - vrienden]

Picknick met onze vrienden jong en oud. Dit waren republikeinen en onder het Franco regime moest een  professor in leven zien te blijven met een prive garage omdat ze van de ubiversiteit werden uitgesloten

.We dronken grote glazen cognac en hadden wel veel plezier. Ik zelf 2de van links staand en Kees Woensdrecht 4de.

 

 

 

 

 

 

 

In de zomervakantie (Juli) ging ik als assistant werken met een geoloog die voor een proefschrift over migmatieten en andere stollingsgesteenten veldonderzoek deed in Galicie. Woensdrecht (de geoloog) deed zijn werk onder toezicht van Prof. den Tex  van de universiteit van Leiden.Ik had me een heel jaar voorbereid in de Spaanse taal, wat heel plezierig gezelschap opleverde van allemaal meiden die wel heel mooi waren maar niet zulke geweldige studiekoppen hadden. Ik was er wel afgeleid door geworden wat betreft mijn studie van de Spaanse taal, want toen ik in San Sebastiaan een treinkaartje moest kopen aan een loket van de Spaanse spoorwegen konden ze, aan het loket, niet wijs worden uit wat ik zei. In allereil heb ik toen nog een Nederlandse Spaans-studerende reisgenote gevonden die dat kaartje voor mij wel kon vragen. Vervolgens ging ik op weg naar La Coruna, Galicie. Spanje bleek overweldigend, het waren wel naoorlogse toestanden met derde klasse coupees waarvan de daken lek waren en reistijden waarbij je tussen twee steden een hele nacht op de grond lag te pitten. Maar wat voor mensen!, nog geheel onaangetast door de welvaart met een hartstocht en medemenselijke interesse die ik niet voor mogelijk hield. Het was, in Galicie, net voor de introductie van de televisie. In de cafes zaten nog mannen met een gitaar om de verveling te verdrijven en als vreemdeling werd je meteen geaccepteerd, al mocht je nooit je consumptie betalen, want dat was hun eer te na. Trouwens voor een peseta kreeg je twee glaasjes wijn. Zondags hadden we meriendas aan het strand bij Cabo Finisterre met de familie van een garagehouder, die zijn baan als professor aan de universiteit was kwijt geraakt omdat hij niet aan de kant van Franco had gevochten. Van de maaltijden bij de mensen thuis herinnner ik me dat we altijd te veel wijn dronken, omdat ik niet wist dat ik mijn glas vol moest laten en daardoor steeds weer bijgeschonken werd, en dan met de koffie nog een cognacglas tot het randje vol. Voor ons werk liepen we erg veel over smalle ommuurde wegen, meestal zo’n 2 a 3 uur voordat we begonnen met ons onderzoek. De geologie van deze soort is altijd een beetje raadselachtig voor mij gebleven, al deze verschillende soorten stollingsgesteenten, waarvan je de compositie al in het veld kon raden door met een loupe de kristallen te bestuderen, werden theoretisch verklaard met ingewikkelde diagrammen van temperatuur en druk. Zo’n magma verandert gedurende het stollen voortdurend van compositie omdat bepaalde mineralen eerder vast worden (cristalliseren) en dan wegzakken, waardoor het overblijvende magma weer een geheel andere aard krijgt. Deze processen die op vele kilometers diepte hadden plaatsgehad lieten een gedifferentieerd patroon achter in de nu door erosie aan de oppervlakte liggende gesteentes. Zoek het maar eens uit, al die onderlinge logische relaties, tussen het ene graniet en een volgende dioriet!

 

1963

Mijn vader, directeur van de Sociale Dienst in Groningen, in zijn werkkamer op de bovenste verdieping van het kantoor. Schilderij [ref. 643002] van Jan van Eden aan de muur. Verder hingen er op zijn kamer werken van Groningse kunstenaars die in die tijd aagekocht werden binnen de ruimhartige BKR (Beeldende Kunstenaars Regeling) waarmee hij deelnam binnen de selectie commissie.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Met Nel Tjong Ayong op een boot in Friesland gedurende het jaarlijkse feest van  de Groningse vrouwen studenten vereniging Magna Pete. Zij was een zus van de bovengenoemde  Carry-Ann uit een van de heel weinige Surinaamse families die toen in Nederland waren.

We hadden een heel goede tijd samen, maar ik heb haar na mijn studiejaren niet meer gezien.

 

 

 

 

 

 

In mei geologische excursie in Frankrijk, bekken van Parijs.

In juli stratigrafische en tectonische kartering in Asturias (Spanje) voor prof. de Sitter ( Universiteit Leiden). Samen met mijn studiegenoot Gerard Germs.We kampeerden bij het dorp Pedrosa del Rey, dichtbij Riaño. Ik heb nog een aquarel van de romaanse brug.

 

 

Dit jaar had ik mijn eigen vervoer, een Puch motorfiets. Ik reed terug naar Nederland over Frankfurt, Duitsland, waar ik Ursula Sasz opzocht die ik de vorige zomer in Galicie was tegengekomen, waar ze toen met haar ouders op vakantie was. Zij was heel mooi, bikkelhard, soms ijskoud, wel wat jonger dan ik en we waren innig verliefd op elkaar, we schreven heel wat brieven, maar de geografische afstand bleek te groot en er kwam verder niets van. Haar vader had een pleister op de plaats waar zijn linker oog had gezeten, zo uit een tekening van George Gross weggelopen. Ze hadden een prachtig huis dichtbij het Schwarzwald, waar we excursies maakten met haar moeder, die jeugdig en ook heel mooi was, zij zag mij wel zitten. Ik schonk haar een inktekening die ze zeer apprecieerde. De Bundesrepubliek maakte al wel een rijke indruk op mij, dat was kennelijk het Wirtshaftswunder waar je over las in de krant.

Waar ik kon bezocht ik de musea, Basel, Bern, Munchen, Keulen, Frankfurt e.a.

 

Dit jaar deed ik mijn candidaats in de wis-en natuurkunde met bijvak geologie. Normaal gesproken krijg je je bul in een ceremoniele bijeenkomst, maar ik moest een heus examen doen. Ik was al twee keer gezakt voor mijn tentamen ‘electriciteitsleer’ van prof. De Waard, en mijn nogal nuchtere professor in de geologie Kuenen kwam met het idee om het kandidaatsexamen aan te vragen, dus zonder het betreffende tentamen. Zodoende was mijn examen niet alleen een formaliteit. Na het mondelinge verhoor, waar ik alweer niet voldoende kennis bleek te hebben, lieten ze mij anderhalf uur buiten op de gang wachten, maar uiteindelijk kreeg ik mijn diploma op de basis van goede resultaten voor andere natuurkunde vakken zoals ‘ mechanica’en ‘nucleaire theorie’. Mijn hele studie was een rommeltje, mijn eerste tentamen, scheikunde, ging helemaal mis omdat ze voor het schriftelijke tentamen, n.b. met alle studenten van de faculteit tegelijk, de wandkaart met elementen, die er altijd hing, hadden verwijderd. Ik was toen nog in de veronderstelling dat de universiteit begrip vroeg en geen uit het hoofd geleerde kennis, enfin die kaart kende ik niet uit mijn hoofd. Voor mijn mondelinge geologie tentamen liet Prof. Kuenen mij ook terugkomen, vanwege foute antwoorden op drie vragen (dingen zoals ‘in welke geologische periode kwamen de eerste vissen voor?’). Later bleek dat ik wel goed geantwoord had maar dat de professor het zelf niet wist. Maar Kuenen deerde dat soort zaken niet, toen ik wederom nog beter voorbereid terugkwam, stelde hij helemaal geen vragen en hadden we alleen een geanimeerd gesprek. Prof. Kuenen was trouwens wel de enige man met geniale trekken die ik op de Rijksuniversiteiten heb ontmoet en mijn voorbeeld van wat een professor eigenlijk zou moeten zijn. Ook internationaal bleek hij een grote naam te hebben, met zijn theorieen over diepzee afzettingen en ‘turbidieten’ waarvan hij de oorsprong had vastgesteld, dwong hij overal waar ik ging in de wereld van de geologie, respect af. Voor de geletterden onder u, dit is trouwens ook de professor waartegen de geograaf Willem Frederik Hermans zo tekeer gaat in het boek ‘Onder professoren’, tegen zo veel wetenschappelijke originaliteit kon Hermans kennelijk niet op. Prof. Kuenen weigerde doctoraal studenten, omdat hij te druk bezig was met zijn eigen research en om verder te gaan in de richting geologie moest ik naar Leiden. Het werd geophysica en sedimentology. De professoren waren minder brilliant, maar ze hadden wel een praktisch studieprogramma.

In de kunst begon ik een eigen stijl te vinden, ik was nu geheel gericht op de menselijke figuur. Sommige imaginaire portretten in aquarel en pastel behoren tot het beste wat ik ooit gemaakt heb [636002].

1964

Ik had nu een studentenkamer in Leiden, aan de Oude Hoefstraat. Zaterdag en zondag reserveerde ik voor het schilderen, ik rolde het versleten tapijt op en had zo een tijdelijk atelier. Ik werkte in en expressionistische stijl met grote gebaren waarbij de klodders verf door de kamer vlogen. In het weekeinde at ik niet omdat de mensa gesloten was en een restaurant te duur. Mijn hospita had dat al gauw in de gaten en gaf mij meestal iets van wat er overbleef aan haar eigen welgevulde tafel. Er was geen tekort aan geld, maar eerder een kwestie van keuzes in de besteding, ik kocht olieverf en andere materialen, ook ging ik vaak naar de bioscoop in alle steden van de randstad. Dit was de tijd van de Franse Nouvelle Vague en dan was er nog een hele filmhistory die ik nog zien moest. Ik zag soms wel drie films op een dag. Ik was lid van de Leidse studenten filmclub, waar we bijv. films van Bunuel zagen, die (je houd het niet voor mogelijk) goeddeels niet vertoont mochten worden in de openbare bioscoop, omdat ze aanstootgevend waren voor het Katholieke volksdeel en, denk ik, omdat Bunuel tenslotte communistische sympathieen had. Toen ze L’age d’or aan de studenten lieten zien, bleek niemand te begrijpen waar het over ging. Ook waren er films uit Oost Duitsland over de oprichting van de Berlijnse Muur e.d. die nooit publiekelijk vertoont werden, vanwege het gevaar dat ze begrip zouden kunnen kweken voor een systeem dat niet het onze was. Enfin veel vrijheid is er nooit geweest in ons decadente, zelfingenomen landje.

Retrospective exhibition of work on paper by Antonio Saura, organised by Eddy de Wilde in the Stedelijk Museum of Amsterdam. Saura maakte een diepe indruk en had veel invloed op mijn weerkwijze/

 

Start of my fieldwork in the Spanish Pyrenees.

 

1965

65 Jan van Eden.jpg (5165 bytes) Self, 1965

 

 

Mei 1965 geologische excursie Zuid Engeland en Wales

Gedurende de zomer werkte ik mee aan een gravimetrische survey in het Cantabrisch gebergte als voorbereiding van mijn MSc thesis geophysica. Veldwerk in de dalen van de Rio Esla en Rio Cea.

Meer kartering in de Spaanse Pyreneeen. Vriendschappelijke relatie met Pepa Santolaria.

Die winter werkte ik aan de berekeningen voor de gravimetrische survey, elke middag zwengelde ik aan de rekenmachine, die toendertijd nog met de hand werd bedient.

 

 

 

 

Beatrijs (my sister) in 1965, in front of a Vietnam poster.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1966

Eerste verdiensten uit een studenten bijbaan. This year I got my first part-time job, I worked for Shell oil company on a litterature search, collecting data on grain sorting and rounding related to porosity and permeability in a variety of sedimentary environments. First real money spent on a visit to a prostitute in Amsterdam.

Excursie Hydrogeologie met prof Voute in Duitsland, ik ontsnapte het gezelschap voor een dag om het museum in Keulen te bezoeken.

Veldwerk in de Spaanse Pyreneeen en een reis door Marocco op mijn motorfiets. Was dit het jaar dat ik de grote overzichtstentoonstelling van Picasso in Parijs zag? I do remember a trip to Paris with my friend Peter Pieters travelling in his Fiat 500

 

 

1967

Deze zomer mijn laatste veldwerk in de Pyreneeen.

I submitted my thesis on the Eocene of the Spanish Pyrenees in September.

Doctoraal aan de Faculteit Wis- en Natuurkunde van de Universiteit te Leiden op 12 December 1967.

Op 28 sept 1967 had ik een interview met Anglo American Corp. in London voor een job in Southwest Africa (Namibia) met hun diamant exploratie. Een paar weken later kreeg ik een aanbod voor een veel interessantere baan in een Research afdeling van Roan Selection Trust voor de Zambiaanse Copperbelt. Ik accepteerde deze laatste nog voordat ik afgestudeerd was, want na mijn examen zou ik meteen opgeroepen worden voor de militaire dienst en het plan was om dan ‘veilig’ in Africa te zitten. Dit was de tijd van de Vietnam oorlog en mijn sentiment was nogal anti. Ik had mij indertijd op mijn 17de jaar enthusiast laten inschrijven voor de officieren opleiding van het Corps Mariniers, maar nu leek het me een beetje overdreven om daar drie(!) jaar aan te besteden.

Zo gezegd , zo gedaan. Dat najaar zei ik vaarwel aan Nederland om op een contract van drie jaar naar Zambia te gaan. Na die tijd, tot mijn 35ste, zou ik alleen korte bezoeken aan Nederland kunnen brengen, en verdomd elke keer als ik de Nederlandse grens overkwam lag er binnen twee dagen een oproep van de mariniers op de versleten kokosmat van mijn ouderlijk huis die mij vermaande om mij oogenblikkelijk te melden.

1968

Het leven in Zambia was heel plezierig. Ik begon een research project aan Mufulira Copper Mine dat uiteindelijk gepubliceerd werd in het gerenommeerde ‘Economic Geology’. With my friend Mike Dawes we saw nearly every film in the theatre in Kitwe, he was a specialist in B-movies, most of the time blown-up versions of 16 mm material, and he knew nearly every actor by name. Weekends people spent in the golfclub, while I was locking myself up to get on with my painting. Sometimes we had parties with black girls from South Africa, refugees of the Apartheidregime. One girl I was quite intimate with, but it never came any further than kissing. She had firm pointed tits and a fine sculptured face, very dark, with huge, light purple lips. I will never forget her hugs and kisses and I still love the whole of Africa for it. Generally the girls of Zambia weren’t worth looking at. Sometimes with an Italian friend we took a couple of  whores home, but they were not attractive with their cheap make-up. In this part of the world, for anything worthwhile you had to go to Katanga in the Congo. Crossing the border you had to mentally adjust. In Zambia you shouldn’t be caught offering anything to the uniformed customs officer, because of their proper British upbringing they were (in those early independence days) uncorruptable. On the Zairean side you found a bunch of irregulars with somebody in command, no uniform in sight, who inspected your passport only to fetch the banknotes that you had to leave between the pages. On the road to Lubumbashi we were stopped several times by half-uniformed military, automatic rifles over their shoulders, who inspected our Morris Mini for anything usefull. Now, one of them wanted my Rayban sunglasses, but after chatting him up in French and lying to him that they were prescribed, he desisted and took a couple of tins of Zambian beer that he spotted on the floor of our car. They were great guys those Zairese, but time and again you had to convince them that you was their best friend and use all your charm on them. The difference in attitude was remarkable, the Zaireese held their heads high and never placed themselves in a subserviant position, whereas in Zambia it was the yes-bwana attitude, obviously the Britsh whereever they go they ingrain a slavelike attitude in their people [redact this text] Lubumbashi was swinging, especially at night. It had been converted to one great brothel where all races mixed. We spent the evening drinking beer and dancing. Finally, me and my friend left for the hotel in company of two nice girls. A quarter of an hour after having retired to my room, there was a shuffle in the passage and a girl shouting. I opened the door and there stood the girl that was supposed to give my friend a good time, protesting that he was no good and she wanted to join us. She threw herself in bed next to my girl. Our friend stood there wanting her back, I told him to have patience, closed the door discretely, joined the girls in bed and attempted to calm her down. And indeed, after a while I convinced her to go back to my friend.

 

1969

Married Pepa Santolaria in a short ceremony at the townhall of Kalulushi, Zambia on the 19th of june. She had come to Zambia on a transit visa but after marriage she would be allowed to stay. When we turned up at the townhall with our witnesses that morning at the appointed time, the secretary wasn't present and nobody knew his schedule. I had taken the day off, but, wasting no time, went back on the job, the witnesses went home and Pepa continued cleaning my house. I made checks every few hours and in the afternoon I found the secretary on duty. Pepa took off her apron, and we rushed in with the witnesses, Sheila and Jean that were the wives of close friends. This was the first civil marriage at Kalulushi, usually people married under tribal law, but not belonging to a tribe what can you do… The secretary proposed that we skipped most of the ceremony, he would just do the papers. In stead of faithful swearing on the bible we used a magazin of the Readers Digest We sat there on his desk spelling our names and places of birth, ourselves and our witnesses. He was writing with difficulty, English not being his native language, but nevertheless within the hour the writing was done. We were standing outside the modest townhall, a small crowd of mostly wives of collegues hugged and kissed the just married couple, when the secretary of my company looked at the document that the civil servant had diligently drawn up and discovered that we had a hunting license instead of the marriage certificate. No problem, once again we went into the office with our witnesses and the townsecretary patiently filled out the proper certificate, which was a similar grey piece of paper. After leaving we found our Morris Mini tied up with a string of empty cans as a is customary for some British, we drove like that a couple of streets to our house where we hurriedly undid these concoctions. We had dinner at the Binda's, my Italian friend, stayed at home that night and left on honeymoon the next morning.

1970

Travels to Rwanda, Burundi, Uganda, Kenya and Tanzania.

Publication: A reconnaissance of deltaic environment in the Middle Eocene of the South-Central Pyrenees, Spain: Geologie en Mijnbouw, v.49 (2), p. 145-157.

 

 

1971

Travels to Cameroun, Ghana, Ivory Coast, Sierra Leone, Nigeria, Canarias, Spanish Sahara and Marocco.

Arriving in Spain we stayed a couple of days in Madrid. Having married under the English law, we did not have  a family book required by the Franco regime for recognition of our marriage. In the hotel they made us stay in seperate rooms. There was a guard posted in the stairwell on every floor. In Huesca we stayed at the family home as a married couple.

Arriving at Schiphol for a short stay in the Netherlands, I phoned my father. Curiously, after so much time not speaking Dutch, I stumbled and we continued the conversation in English. Within a day I recovered the  speech in my native language, but not without a heavy accent.

 

1972

Debuut-tentoonstelling galerie "De Sfinx", Oudezijdsvoorburgwal, Amsterdam. Outrageous imagery, male and female sex specimen, masturbating priests, screaming popes and the undertaker. Strong show, nothing sold. To get this show, my sister had gone to most of the half dozen galleries in Amsterdam with documentation and many of them showed an interest. I had offers from Krikhaar, Jurka a.o. Pity I made the decision not to continue exhibiting. Long years of creative wrestling with myself followed and production piled up without ever being shown. Although one must admit that lots of it is trash.

Publications: (co-author P.L.Binda) Sedimentological evidence on the origin of the Precambrian Great Conglomerate (Kundulungu Tillite), Zambia: Paleoclim., Paleogeogr., Paleoecol., Elsevier, v. 11, p. 152-168.

(co-author P.L.Binda) Scope of stratigraphic and sedimentologic analysis of the Katanga Sequence, Zambia: Geologie en Mijnbouw, v. 51, p. 321-328.

 

 

1973

Johannesburg. Work in the Northern Cape, Namibia (prospect for Rossing-type uranium).

 

1974

Luanda, Angola. Uranium exploratie voor Johannesburg Consolidated Investment (J.C.I.) in opdracht van het Portugese gezag, Britse Electricity Board, het Duitse Urangesellshaft en het Franse Minatom, dit in tegenspraak met de United Nations boycot van de Portugese kolonie Angola.

Publication:Depositional and diagenetic environment related to sulphide mineralization, Mufulira, Zambia: ECON. GEOL., v. 69, p. 59-79.

 

 

1975

Luanda, Angola

We buy a property in Sabayes, Spain.

Leaving wartime Angola, leaving personal belongings behind, but rescueing most paintings. Lost some dear friends that were killed at the southern border trying to stop the invading forces of  South Africa.

Resettled in Johannesburg. Work in Zimbabwe

 

1976

Investigation for uranium in Namibia and in the South African Karroo.

.

1977

From the first of January I started with Mineraçao Sao Jose in Brasil. Spent the first few months working from Rio de Janeiro, then moved to Curitiba. Curitiba was a well organised city in southern Brasil, relative prosperous and white. Nethertheless the poverty of a small portion of its population made more impression on me than in other regions of Brasil. Reason for this was the European descent of these streetdwellers. Poor black seem to be more acceptable to my Dutch eyes.

 

1978

Rio de Janeiro. Working throughout Brasil, mainly in the Northeast up into Ceara.

 

About to cross a river in Parana [78brasil1]

© Photo C van Eden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Publication: Stratiform copper and zinc mineralization in the Cretaceous of Angola: ECON. GEOL., v. 73, p. 1154-1161.

 

1979

Salvador, Bahia

Painting 'Woman on barstool' on unprepared cotton. Asserting a more personal style [ref. 792501]

 

1980

Breakthrough in style development, painting 'Yellow executive' [ref. 802501]

 

Salvador, Bahia

Last day of the year, last day in Brasil spent in Copacabana. What a New Years eve! with the millions of candles on the beaches and the cascading fireworks from the highrise along the entire boulevard.

 

1981

 

Few months based in London with Selection Trust to do literature and archive study, preparing the Saudi job on Potash exploration in the Red Sea coastal areas.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1982

Jeddah, Saudi Arabia. Publication of the ministry of Mineral Resources, referring to the Potash project, Red Sea coast, where I worked as the chief geologist.

Fotos by Jan van Eden

 

 

Gaining confidence as a painter, working on larger format 200x150 cm, occasionally in triptichs.

The enormous size of this country, its emptiness are astounding. The harsh light, heavy cast shadows and its women hidden in black made a deep impression on me. In respons I did a series of large black and white figures on cotton. I gained in freedom of style and got more respons from the public than I had thus far. This period paved the way for my return to Europe as a painter.

 

 

Singapore

Trip to the Far East, India, Thailand, Malaysia, Singapore.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1983

Our Fieldcamp on the Farasan Islands, Red Sea coast, Saudi Arabia. Round structures of coral reef over a nearly surfacing diapyric salt dome, investigated for potash salts.

(aerial fotos by Jan van Eden)

 

Reef sharks made it unsafe to swim in the work areas of the Farasan Islands

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Helicopter was used for the gravimetric survey over the islands of the Farasan.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

On a pyramid, what else?

Trip to Egypt. Luxor and Cairo

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1984

Fieldwork with deep drilling of salt deposits

Downgrading of the  exploration program because of dimishing funds. There were increasing numbers of US military in Saudi Arabia and  increasing military  purchases, in preparation for what followed, starting with the first Gulf War in 1990. This was the end of development programs that gave usefull employment to Saudi people.

 

 

1985

83.jpg (8222 bytes)Jan van Eden in front of the painting ref.850222
Polished words fell from his lips, 1985
Oil and acrylic on linen, 200x150 cm

 

 

 

 

 

Settling in Amsterdam, starting to work professionally as a painter.

Purchase of Singel 100 beletage for and extreme reasonable cost, as the housing market was on its lowest point in 15 years and the centre of Amsterdam was litle more than a place for squatters.

1986

 

1987

1987 First public show at gallery Art Singel 100 with work of Jan van Eden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1988

Tentoonstelling bij Schuwirth en van Noorden, Maastricht.

 

1989

1990

Work in stock at the gallery 'Albatros', Madrid

1991

Tentoonstelling galerie Dacal, Madrid

 

1992

In front of
922502
Downtown revelation, 1992
Oil and acrylic on cotton, 150x116 cm
Exhibitions: Amsterdam 1992
Reproductions: Invitation, Art Singel 100, Amsterdam, 7/11/92; NRC/Handelsblad, 6/11/92; Alert, Amsterdam, 11/92
Collection: Mr and Mrs G Hutin, Neuchâtel, Switzerland [1994]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

1993

Work in stock at the gallery 'Arcs and Cracs', Barcelona

 

1994

 

 

1995

Exhibition at the post-graduate military institute 'Defensie Leergangen, Rijswijk' of the Ministry of Defense. Among the work purchased was Die Triumphbogen (1993). This painting is a philosophical statement not only about war and victory, but also about the loss of human values; the widow of the 'victory' looks out into uncertainty. War, although seemingly distant, suddenly becomes a reality, the heat of guided missiles have scorched the skin of the artist and he is unable to avoid the theme, A.D. 1993. The building in the background is the design by Albert Speer (the architect of Hitler) for the 'Arc de Triomph' to be build after the war in Berlin...

Toelating als lid kunstenaar tot Maatschappij Arti et Amicitiae.
Memberschip of the Amsterdam Artists Society 'Arti et Amicitiae'.

Bouw van het atelier in Sabayes, largely excavated below our existing house.

1996

"Black and white drawings", Arti et Amicitiae, Amsterdam

1997

"Poste Restante", Arti et Amicitiae, Amsterdam

1998

Mijn vader overlijdt op 12 maart. Ik zit alleen aan zijn sterfbed en voel de transitie als de vervulling van een leven, hij was een moedig man. Persoonlijk heb ik altijd een goede relatie met mijn vader gehad en ik kijk graag naar de sterke kanten van zijn persoonlijkheid. Voor mij als kind was de overtuiging waarmee hij leefde een overweldigende ervaring. Ik herinner en ervaar mijn vader voornamelijk uit de eerste 12 jaar van mijn leven, op de momenten waarop hij actief met mij bezig was, hoe hij naast me rende om mij fietsen te leren, of hoe hij met een sjaal om mijn middel mij leerde schaatsen. Maar het is niet zozeer de activiteit zélf die indruk op mij maakte, als wel de intentie en het enthousiasme waarmee hij dingen deed. Zijn zelfbewuste aanwezigheid straalde op mij af en je mocht nooit aan zwakte toegeven. Natuurlijk, dit waren de ascetische naoorlogse jaren, je moest je zelf dingen ontzeggen voor je eigen toekomst en voor die van de anderen, er werd niet naar je zelf toegerekend. Mijn vader ontzag zichzelf nooit, zette zich volledig in voor anderen, en voor ons gezin was hij zorgzaam maar veeleisend. Na mijn lagere school was mijn vader er nauwelijks meer, hij ging op in zijn werkzaamheden, ik was verantwoordelijk voor mijzelf en zelfstandig geworden, wij gingen met elkaar om op een respectvolle wijze, er viel nooit meer een onvertogen woord tussen ons. Hij vertrouwde op mij en onze verstandhouding is na mijn twaalfde jaar eigenlijk niet meer veranderd. Ik bewonderde hem om zijn goede eigenschappen op mijn eigen relativerende manier, ik beoordeelde hem langs de maatlat van de oprechtheid en objectiviteit die hij mij zelf had bijgebracht.

Mijn vader was een moedig man en een man die met overtuiging geleefd heeft. Ik ben dankbaar dat ik zo'n vader had.

Experimenten met kleur, de figuratie ligt nu onder een stemmingsveld van bijna monochroom geschilderde kleurvlakken. De kleur confronteert en de figuratie wordt vaak pas zichtbaar na zorgvuldige observatie.

Het onderwerp blijft de menselijke figuur, meestal eenzaam of in een archetypische verbintenis zoals die van Adam en Eva. Verbintenissen die kunnen ontstaan door de samenvoeging van meerdere panelen. Bij uitzondering is er een omhelzing of een kussend paar, een kortstondige en fatale aantrekking. De geklede man in de stad, gehuld in de anonimiteit van de avond, naast de vrouw die zichzelf uitdagend toont in een sensuele gloed. De breeduit liggende naakten zijn universele symbolen voor levenskracht en vruchtbaarheid. De weelderige kleur en het brede gebaar temperen de agressie en erotiek die op de achtergrond aanwezig blijven.

Deelname aan ‘Spiegelbeeld’, Arti et Amicitiae, Amsterdam. Zelfportret [983616] geexposeerd.

1999

Further experiments in colour. Monochrome paintings using the contrasting reflections of thick painted areas versus sparsely covered cotton. Characterisations of common male and female passers-by.

Nostalgic figures, e.g. a young girl with a bow in her hair.

2000

Participation International Art Fair, KunstRAI, Amsterdam
De Brandwacht Galerie, Breukelen (solo)

Recent work reflects experiments in colour, line and more specifically contours of the human figure remain, but the figuration now partially hides behind a nearly monochrome colour field. Colour confronts and the figuration is often only noticeable after careful observation.

The subject is the human figure, mostly in solitude or in an archetypal connection such as Adam and Eve. He searches in an intuitive manner for relationships between persons, by placing persons, each of them caught in their own panel, together.  By exception there is an embrace of a kissing couple, or a short and fatal attraction. The dressed man, shrouded in the anonymity of the evening, next to the provoking woman who shows herself in a sensual glow.

2001

‘Dier’, Arti et Amicitiae, Amsterdam. [845013] and [845014]
Galerie DIS, Maastricht , "Streetscenes" and portraits (solo).

September 11th, buildings at the World Trade Center being pulled, causing thousands of innocent death. [See http://www.reopen911.org/  &    http://www.scholarsfor911truth.org/index.html  ].

 

2002

Doing more 'streetscenes' on a large format for the retrospective exhibition in Huesca.

'Sleutelwerken', De Salon 2002, Arti et Amicitiae, Amsterdam

 

Retrospective exhibition at the 'Diputacion provincial', Huesca, Spain

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

2003

One man show at the Fundación Maturen - Iglesia de San Atilano, Tarazona (Zaragoza). The title of the exhibition Belphoebe, ‘chastity, grace and courage’, refers to the renaissance poem "The Faerie Queene" (1596) of Edmund Spenser.

From the press:  M Perez-Lizano (Zaragoza) in the monthly 'El Aragones' of august 2003: 

La exposición de Jan van Eden parte como tema de un poema renacentista inglés, que tiene en Belphoebe y Britomart a sus dos principales protagonistas con la guerra como asunto primordial. Pasado para todo presente. Tema que es consecuencia de la marcada conciencia histórica y social de un pintor con ética que vio y sintió múl tiples injusticias de cuando trabaja como geólogo, desde 1967 hasta 1985, por Africa, Oriente próximo y América Hispana.

La obra presentada en la Fundación Maturén es inédita y representa una ruptura con la muy excelente serie anterior basada en figuras con maletas. Algunas formas expresionistas, no obstante, guardan relación con obras tipo "De Strijder", 1993, por el alargamiento anatómico para crear máximo impacto. Aquí, lo importante es que el pasado, pese a flechas y arcos, incluso alfanjes, se vincula con el presente desde una precisa naturalidad, aunque en alguna olía las bombas sirven como testimonio y denuncia de toda guerra actual para enfatizar en la indefensa población. Diferentes símbolos en ocasiones enmascarados, como el reloj de arena para aludir a la muerte o fascinantes ojos en lugares imprevistos, y el propio tema adquieren un tono excepcional por el exacto color y el tratamiento formal, de modo que el ágil trazo y la reducción formal para potenciar lo expresivo imprimen a las figuras un ondulante atractivo. Hermoso. Obra intachable e impactante, que arrastra, con el gran acierto de eludir cualquier matiz tipo mensaje gratuito. Podría asegurarse, por otra parte, que el tema ni de lejos está agotado, aunque el poema como eje de partida obligará al pintor a plantearse otro cambio.

2004

11th March More than 200 people killed after bombexplosions in commutertrains.  The following words are cited from the now defunct www.espantagruelico.org  site:

 

Hoy en Madrid sólo confusión. Documentos impagos en las calles. Líneas férreas sin dirección. Sangre empapando intereses políticos y étnicos. 

 

Violencia, se reprime con violencia (Aznar, Sharon, Bush, Tony, Putin) Madrid se convertirá en una ciudad histérica, al igual que Londres, Jerusalén y Nueva York. Entonces, dónde vamos, en que momento reflexionamos que los más débiles a veces usan las armas más viles para ser escuchados. No se trato de defender a nadie, pero la tragedias podrían evitarse, no con más policías y tanques, sino con la disposición al dialogo.

Exhibition at gallery Pepe Rebollo in Zaragoza, Spain.

La prensa (El Aragones):
Jan Van Eden presenta un conjunto de pinturas con la figura humana como tema primordial, en el ámbito de escenas de calles e interiores siguiendo el título de su exposición. Figuras femeninas de modelos con dosis crítica y figuras de tonos elegantes como si fueran escenas fugaces, se acompanan por otros cuadros que evocan a películas con famosos actores, caso de Marilyin Monroe, sin olvidar la excepcional serie con el revólver como otro protagonista. Asimismo, son notables las escenasde calles antiguos con su espléndido aroma. Cuadros, en su totalidad, que tienen una línea vertical a la base que divide cada obra con indiscutible acierto. Pintor defendiendo una crítica social que aquí también se vincula con la obra basada en las recientes torturas de los prisioneros iraquíes por parte de algunos descerebrados estadounidenses.

 

2005

Exhibition at gallery Klas Vijf, Velp with 'Streetscenes'

What’s behind my “Streetscenes”: 

In his famous 1863 essay "The Painter of Modern Life", Charles Baudelaire documented a new modern male urban subject - the flàneur. An anonymous observer, the fláneur strolls through a Parisian crowd, mentally recording and immediately erasing the faces and figures of passersby. From time to time, his gaze meets the gaze of a passing woman, engaging her in a split-second virtual affair, only to be unfaithful to her with the next female passerby. Baudelaire writes: "To the perfect spectator, the impassioned observer, it is an immense joy to make his domicile amongst numbers, amidst fluctuation and movement, amidst the fugitive and infinite . . . To be away from home, and yet to feel at home; to behold the world, to be in the midst of the world and yet to remain hidden from the world." The fact that modern man feels more at home in a crowd of strangers than in a closed community shows the psychological price paid for modernization. The “Streetscenes” show walking and gesticulating figures in chance encounters and casual contacts, characterizing the transitoriness of egocentred modern life.

 

2006

Working on a series of paintings related to September 11th, 2001. Unabated talk of terrorism in the media, ever more violent interference in the Middle East and increasing repression at home. Every discussion going back to the events of September 11th, 2001.

 

This engine  landed 3 blocks away from Ground Zero  and was identified as a CFM56, the primary engine of the Boeing 737 and not the Boeing 767 alleged to have struck the South Tower.

 

 

 

 

 

 

 

 

2007

Holland is not any more what is was. While photographing on the street in Amsterdam I was held under arrest by secret police. Like in a miltary operation I was surrounded by five plain clothed man and women that flapped out their police identification, interrogating me on my objectives. They took my driving licence that I had on me for identification and two of them left the site with my papers to come back in about 20 minutes. In the meantime one of the officers went through the pics in my digital camera. After they gave me back my driving licence they dissolved in the crowd without saying a word. I can tell you, it was blatant intimidation. I went on to the Central Station, carrying on the job and making more photographs of passers-by.

Exhibition at the UNED (Universidad Nacional Español a Distancia) Barbastro under the title 'La batalla del pintor'.

 

2009

"Miradas contra el olvido, 1948-2009" at the Centro Buñuel de Calanda (Teruel).

 

2010

Constitucion de la Fundacion van Eden - Santolaria (VANES) baseada en Sabayes (Huesca), Espana.

The year of many exhibitions in Spain. "Ecos del Passado" first in the sala CAI of Huesca and later in the sala Luzan on the Independence Avenue in Zaragoza. "Miradas contra el olvido, 1948-2009" in the Matadero of Huesca, in the Centro de Historia of Zaragoza and later in Castejon de Sos (Huesca).

We got notice from Mike Dawes, that his wife Jean, witness to my marriage with Pepa, passed away. They had been out of sight for a number of years as they lived in the U.K., North Yorkshire. These days with the years passing by, you wonder about the condition your friends are in. Would Mike have the same surprising memory as in the Zambian days? We would love to visit the cinema in Kitwe and see washed out coloured "B" movies in which he would would recognise the minor supporting actors and whisper their names in my ear.

 

2011

Work of the Palestinian Series used as a backdrop to a manifestation at the Westerkerk in Amsterdam, where Noam Chomsky gave a lecture.

My dear niece Annie Prins-Bolding, widow of Gerrit Glijnis, died in Krommenie on the 24th october. I said a few words at her burial in UItgeest on the 29th. During a critical period in my early youth, in the last days of the 2d Worldwar she was like a mother for me.

 

2012

Group exhibition with artists of Arti et Amicitiae at the Salmagundi Club,Greenwich Village, New York City. The Salmagundi Club is one of the oldest  art organizations in the United States, Founded in 1871.
La exposición “Miradas contra el olvido 1948 – 2012” fue presentada en Madrid en la Embajada de Palestina.

 

2013

Con la ayuda y el esfuerzo de todos los patronos de la Fundación VANES y de D. Miguel Lacasa en especial, desde Febrero de 2013 la Fundación VANES tiene, dentro del Núcleo Úrbano de Sabayés, un terreno donde puede proyectarse la construcción de un almacen y espacio de exposiciones.

Compra de terreno en Sabayes para la construccion de nuestro 'Casa de Arte' que servirá como almacén para mi obra y nuestro collecccion de otros artistas.

One man show at the Sala Dalmau, Consell de Cent, Barcelona. The weekend of the opening was an opportunity for a reunion with many friends from as far back as our Zambian period (1960ties). Pier Luigi Binda coming all the way from Canada and his daughter Francesca. Paul and Jenny Guillan from Scotland. Pien en Rolf from our Saudi Arabian times early 1980ties, coming from Australia. Meike Hansen from Germany, Corinne and Hill from Holland, my nephew Stein and Charlotte, my niece Daphne from Holland, Esther Levigne one of the artists of Pepa’s gallery, now working in NY, and many others from Spain and abroad.

Mike Dawes (see the year 1968), friend and collegue of Zambian times, visited us in Amsterdam.

2014

Inicio construccion de las salas de exposiciones de la Fundacion en Sabayes. 

 

Mapi Rivera y Pepa Santolaria on the building site of the Fundación VANES on the 24th May 2014

 

 

 

 

 

 

 

 

2015

Muerte de Pepa van Eden - Santolaria Garcia (Melilla, Spain 17-03-1945 - Amsterdam, Netherlands 09-01-2015). Habiendo vivido venturosamente 70 años, Pepa ha muerto después de una corta enfermedad. Inesperadamente, después de Navidad le diagnosticaron un tumor cerebral muy agresivo que sólo hubiese podido ser objeto de un tratamiento paliativo.

Having lived an adventurous life of 70 years Pepa has passed away after a short illness. Just before Christmas, totally unexpectedly, she was diagnosed as having an aggressive brain tumor, for which only palitative treatment was possible. Considering that Pepa was so active in her gallery, the B&B, the promotion of new initiatives and the Fundacion in Sabayes, the medical prognosis came as a shock.
She kept a very clear mind until her last breath, as the disease did not affect the cognitive portion of her brains. Pepa and I knew each other for 50 years and we lived in perfect symbiosis. She searched continuously for ways to bring her life and that of others to a higher level and was convinced that art was the means.

Construction of the main building of the Fundación VANES has been completed.

 

Fundación VANen)S(antolaria), Sabayes (Huesca)

 

 

 

 

 

 

 

 

2016

Death of my gallery owner in Huesca Maria Jesus Buil and her partner Angel Ramirez in a traffic accident on the 11 September 2016.

Work in the exhibitionspaces of the Foundation vanES continued.

 

2017

Death of Alberto Carrera Blecua my collegue and friend in Huesca. He has died in the morning of the 10th of March 2017 in a traffic accident in the province of Tarragona, Spain. Alberto was planned to exhibit in Art Singel 100 gallery in the coming month of April and we will honor this event as a tribute to a great artist.

 

First paintings have entered the Fundación.

 

 

 

 

 

 

 

Completion of the entrance to the upper floor of the Foundation, including a wheelchair ramp.

Exhibition "All your armies" in Art Singel 100, Amsterdam as a comment on the worlds backward move on nuclear proliferation.

Ex

 

Email:    vaneden@artxs.nl

 

Family Stories

Stories of our life in the foreign

 

 

 

 

 

Recent work of Jan van Eden


Inicio Fundación Colabora Actividades Colección Jan van Eden-biografia Contacto

 Copyright Fundación van Eden-Santolaria
For problems or questions regarding this Web site contact vanes@fundacionvanes.org.es